Over het Jenaplanconcept

Op onze jenaplanschool laten wij  ons inspireren en baseren we ons handelen op de basisprincipes en de kernkwaliteiten zoals die beschreven zijn in het jenaplanconcept. Wat is de relatie tussen basisprincipes en kernkwaliteiten van het jenaplanconcept?

De basisprincipes vormen de waarden van het jenaplanonderwijs, die vervolgens samen te vatten zijn in de zgn. kwaliteitskenmerken. Op waardenniveau moet een jenaplanschool daar aan te herkennen zijn. Op concreet niveau vormen de jenaplankernkwaliteiten op hoofdlijnen de concretisering van de basisprincipes en zijn mede verheven tot erkenningscriterium voor een erkende jenaplanschool (net als de basisprincipes). Elke erkende jenaplanschool heeft zich gecommitteerd om de jenaplankernkwaliteiten vervolgens op schoolniveau verder te concretiseren. Daar is b.v. een NJPV digitaal instrument voor: zelfevaluatie jenaplankernkwaliteiten.

Jenaplanschool De Mijlpaal heeft in  augustus 2016 de erkenning van de Nederlandse Jenaplan Vereniging ontvangen en is opgenomen in het register van Nederlandse jenaplanscholen.

Uit een studie tussen jenaplan en freinetonderwijs zijn 7 essenties naar vormen gekomen, die in beide concepten te vinden zijn. Op basis hiervan zijn 10 jenaplanessenties vastgesteld, die opgenomen zijn in het vernieuwde opleidingsplan voor de post HBO opleiding jenaplanonderwijs. Je kunt ze opvatten al extra opbrengst voor een jenaplanschool.

De jenaplankernkwaliteiten

Het jenaplanconcept is een concept, waarin relaties centraal staan:

  1. De relatie van het kind met zichzelf
  2. De relatie van het kind met de ander en het andere
  3. De relatie van het kind met de wereld

Om het belang van deze relaties in het jenaplanonderwijs te tonen, zijn er twaalf kernkwaliteiten geformuleerd. Een jenaplanschool richt de omgeving zodanig in, dat deze kwaliteiten gerealiseerd worden.

1. Relatie van het kind met zichzelf

  1. Kinderen leren kwaliteiten/uitdagingen te benoemen en in te zetten, zodanig dat zij zich competent kunnen voelen.
  2. Kinderen leren zelf verantwoordelijkheid te dragen voor wat zij willen en moeten leren, wanneer zij uitleg nodig hebben en hoe zij een plan moeten maken.
  3. Kinderen worden beoordeeld op de eigen vooruitgang in ontwikkeling.
  4. Kinderen leren te reflecteren op hun ontwikkeling en daarover met anderen in gesprek te gaan.

Sleutelwoorden/zinnen

  • Dialoog van het kind met zichzelf
  • Uitgaan van verschillen
  • Uitgaan van de kracht en kwaliteit van elk kind
  • Recht om zich competent te voelen. Recht op succeservaringen
  • Werken met de zone van naastbije ontwikkeling
  • Betekenisvol onderwijs
  • Plezier in leren
  • Werken met onderzoeksvaardigheden op basis van eigen vragen
  • Autonomie
  • Morele ontwikkeling

2. Relatie van het kind met de ander en het andere

  1. Kinderen ontwikkelen zich in een leeftijdsheterogene stamgroep. De stamgroep wordt gevormd door kinderen met meerdere leeftijden.
  2. Kinderen leren samen te werken, hulp geven en ontvangen met andere kinderen en daarover te reflecteren.
  3. Kinderen leren verantwoordelijkheid te nemen en mee te beslissen over het  harmonieus samenleven in de stamgroep en school, opdat iedereen tot zijn recht komt en welbevinden kan ervaren.

Sleutelwoorden/zinnen

  • Leven/werken in een stamgroep en school.
  • Jezelf leren kennen in relatie met anderen.
  • Aandacht voor de (niet-) zintuigelijk waarneembare werkelijkheid.
  • Meerwaarde van samen ontdekken.
  • Verschillen bij andere kinderen herkennen en respecteren.

3. Relatie van het kind met de wereld

  1. Kinderen leren dat wat ze doen er toe doet en leren in levensechte situaties.
  2. Kinderen leren zorg te dragen voor de omgeving.
  3. Kinderen passen binnen wereldoriëntatie de inhoud van het schoolaanbod toe om de wereld te leren kennen.
  4. Kinderen leren spelend, werkend, sprekend en vierend volgens een ritmisch dagplan.
  5. Kinderen leren initiatieven te nemen vanuit hun eigen interesses en vragen.

Sleutelwoorden/zinnen

  • Onderwijs in samenhang in betekenisvolle, levensechte contexten.
  • Relatie cursus en WO.
  • Toegepast leren.
  • Werken met primaire bronnen.
  • Betekenisvol onderwijs.

BASISPRINCIPES JENAPLAN

  1. Elk mens is uniek; zo is er maar één. Daarom heeft ieder kind en elke volwassene een onvervangbare waarde.
  2. Elk mens heeft het recht een eigen identiteit te ontwikkelen. Deze wordt zoveel mogelijk gekenmerkt door: zelfstandigheid, kritisch bewustzijn, creativiteit en gerichtheid op sociale rechtvaardigheid. Daarbij mogen ras, nationaliteit, geslacht, sexuele gerichtheid, sociaal milieu religie, levensbeschouwing of handicap geen verschil uitmaken.
  3. Elk mens heeft voor het ontwikkelen van een eigen identiteit persoonlijke relaties nodig: met andere mensen; met de zintuiglijke waarneembare werkelijkheid van natuur en cultuur; met de niet zintuigelijk waarneembare werkelijkheid.
  4. Elk mens wordt steeds als totale persoon erkend en waar mogelijk ook zo benaderd en aangesproken.
  5. Elk mens wordt als een cultuurdrager en -vernieuwer erkend en waar mogelijk ook zo benaderd en aangesproken.
  6. Mensen werken aan een samenleving die ieders unieke en onvervangbare waarde respecteert.
  7. Mensen werken aan een samenleving die ruimte en stimulansen biedt voor ieders identiteitsontwikkeling.
  8. Mensen werken aan een samenleving waarin rechtvaardig, vreedzaam en constructief met verschillen en veranderingen wordt omgegaan.
  9. Mensen werken aan een samenleving die respectvol en zorgvuldig aarde en wereldruimte beheert.
  10. Mensen werken aan een samenleving die de natuurlijke en culturele hulpbronnen in verantwoordelijkheid voor toekomstige generaties gebruikt.
  11. De school is een relatief autonome coöperatieve organisatie van betrokkenen. Ze wordt door de maatschappij beïnvloed en heeft er zelf ook invloed op.
  12. In de school hebben de volwassenen de taak de voorgaande uitspraken over mens en samenleving tot (ped)agogisch uitgangspunt voor hun handelen te maken.
  13. In de school wordt de leerstof zowel ontleend aan de leef-en belevingswereld van de kinderen als aan de cultuurgoederen die in de maatschappij als belangrijke middelen worden beschouwd voor de hier geschetste ontwikkeling van persoon en samenleving.
  14. In de school wordt het onderwijs uitgevoerd in pedagogische situaties en met pedagogische middelen.
  15. In de school wordt het onderwijs vorm gegeven door een ritmische afwisseling van de basisactiviteiten gesprek, spel, werk en viering.
  16. In de school vindt overwegend heterogene groepering van kinderen plaats, naar leeftijd en ontwikkelingsniveau, om het leren van en zorgen voor elkaar te stimuleren.
  17. In de school worden zelfstandig spelen en leren afgewisseld en aangevuld door gestuurd en begeleid leren. Dit laatste is expliciet gericht op niveauverhoging. In dit alles speelt het initiatief van de kinderen een belangrijke rol.
  18. In de school neemt wereldoriëntatie een centrale plaats in met als basis ervaren, ontdekken en onderzoeken.
  19. In de school vinden gedrags-en prestatiebeoordeling van een kind zoveel mogelijk plaats vanuit de eigen ontwikkelingsgeschiedenis van dat kind en in samenspraak met hem.
  20. In de school worden verandering en verbeteringen gezien als een nooit eindigend proces. Dit proces wordt gestuurd door een consequente wisselwerking tussen doen en denken.

Hoe is het bovenstaande op onze school terug te zien:

samenwerken, samen kunnen we meer.

reflecteren en verantwoorden in de kring.

plannen, weten hoe een periode is opgebouwd.

creëren, alles is mogelijk.

presenteren, laat zien wie je bent.

ondernemen, jouw initiatief is welkom.

zorgen voor de dieren

zorgen voor de planten in de moestuin

samenleven in de wereld om ons heen

7_essenties_van_jenaplan Jenaplan essenties

 

 

 

Dit bericht is geplaatst in zonder categorie. Bookmark de permalink.

Reacties zijn gesloten.